Algemeen
Uiterlijk
Dolfijnen zijn zoogdieren. Ze horen tot de groep Tandwalvissen.
Dolfijnen hebben zich in hoge mate aan de zee aangepast en bezitten daardoor vele eigenschappen die hen van andere dieren onderscheiden. Zowel de grote als de kleine soorten hebben de vorm van een uitgerekte torpedo, geheel gestroomlijnd vanaf het topje van de neus tot aan de slanke, ankervormige staart.
Ondanks hun omvang bewegen ze zich gemakkelijk door het water. Hun staart golft in een rustige beweging op en neer en drijft hen zo voort met nauwlijks enige turbulentie in het water of verpilling van kracht. Dolfijnen halen 30 kilometer per uur.
Dolfijnen dragen hun neusgaten boven op hun hoofd. Ze ademen uit door te 'spuiten', als ze aan de oppervlakte komen en ademen in voordat ze weer onderduiken. Dolfijnen brengen daarom het grootste deel van hun leven door aan het wateroppervlak of in de buurt daarvan. Alle Tandwalvissen zien en horen goed en hebben een zachte en gevoelige huid die rimpelt als ze door het water zwemmen, waardoor de wrijving verminderd. De meeste zijn volledig onbehaard, hun onderhuids vet 'blubber' zorgt voor de isolatie.
Van de Tandwalvissen zijn de Potvissen en Orka's het grootste en er bestaan nog vele andere soorten in afnemende grote tot aan de kleinste Dolfijnen, die korter dan twee meter zijn.
Tandwalvissen hebben hun tanden vaak in zonderlinge formaties: alleen in de onderkaak bij potvissen, slechts een paar bij de butskoppen en diep in het tandvlees ingebed, waarschijnlijk zonder functie, bij sommige vrouwtjes. Orka's hebben een formidabele dubbele rij tanden, geschikt om elke willekeurige prooi te grijpen en uiteen te scheuren. Dolfijnen en bruinvissen hebben kleine, dolkachtige tanden die geschikt zijn om glibberige vissen te vangen en vast te houden.
Oorsprong
Samen met de vleesetende zoogdieren stammen de tandwalvissen af van een een zoogdier dat meer dan 50 miljoen jaar in het Eoceen leefde. Terwijl de vleeseters zich voornamelijkop het land ontwikkelden, kozen de voorouders van de dolfijn voor het water en pasten zich geheel aan het bestaan onder water aan. Tijdens deze ontwikkeling werden de staartbeentjes aangepast voor de voortbeweging, verdwenen de achterpoten en werden de voorpoten veranderd in evenwichts- en stuurvinnen