Algemeen
De boeken spelen zich af rond de puberteit van Harry James Potter, die op zijn 11e ontdekt dat hij magische gaven heeft en op Zweinstein (oorspronkelijke Engelse versie: Hogwarts) naar school gaat. De schrijfster heeft een complete en tamelijk consistente mythologie geconstrueerd waarin de verhalen zich afspelen. Hierin komen vele elementen uit andere succesvolle kinderboeken terug, maar wel op een heel eigen en originele wijze.
Ook de gebruikelijke fantasythema’s uit fantasyboeken (bijvoorbeeld de Aardzee-serie van Ursula Le Guin of In de Ban van de Ring van J.R.R. Tolkien) spelen een grote rol in de verhalen over Harry. Verder is er invloed merkbaar van sprookjes, Engelse kostschoolboeken (zoals ‘Tom Brown’s Schooldays’) en bepaalde sciencefictionboeken. De gedeelten die zich bij de familie Duffeling afspelen doen sommigen meer aan de kinder-horror van Roald Dahl denken.
Hoewel de boeken in eerste instantie bedoeld zijn als kinderboeken, worden ze ook door veel volwassenen gelezen. De boeken worden vaak niet als kinderachtig beschouwd; integendeel, ze snijden heel ‘volwassen’ thema’s aan zoals racisme, moord en het verlies van dierbaren. In het Verenigd Koninkrijk worden er ook adult editions (volwassenenedities) van de boeken uitgegeven met een identieke tekst maar met een serieuzere omslag. Dit biedt een aantal voordelen: volwassenen hebben minder het (voor sommigen bezwarende) idee dat ze een kinderboek aan het lezen zijn, ze hoeven zich niet beschaamd te voelen als ze een Harry Potter-boek in het openbaar lezen, en in veel boekenkasten past de donkere kaft beter bij de andere boeken. De inhoud van de adult editions is precies hetzelfde als de normale (Brits Engelse) uitgaven.
Boeken en films
De serie boeken bestaat uit zeven delen. Deel zeven is in het Engels uitgekomen op 21 juli 2007 en in de nacht van 16 november op 17 november 2007 in het Nederlands. Van de boeken zijn de eerste vijf verfilmd, van de resterende twee zullen de films de komende jaren uitgebracht worden. Sinds september 2007 is de Harry Potter-filmserie financieel gezien de meest succesvolle filmserie ooit gemaakt: in totaal bracht de serie tot dan zo’n 4,47 miljard dollar op.
Over Harry Potter:
Als baby (1980-1981)
Harry is de zoon van James Potter, een volbloed tovenaar, en Lily Potter, een heks met Dreuzelouders. James en Lily waren beiden getalenteerde tovenaars en tegenstanders van de duistere tovenaar Heer Voldemort. Op een koude, natte avond in 1979 voorspelde de Zieneres Sybilla Zwamdrift dat er aan het einde van de zevende maand iemand geboren zou worden die de macht heeft om de Heer van het Duister te overwinnen. Op 31 juli 1980 werd Harry Potter, de enige zoon van James en Lily, geboren. De profetie van Zwamdrift leek dus betrekking te hebben op Harry, althans dat nam Voldemort aan: de profetie had ook op Marcel Lubbermans kunnen slaan die ook rond die datum geboren is. Maar Voldemort koos voor Harry Potter omdat Voldemort vond dat ze veel gemeen hadden: zo zijn ze bijvoorbeeld beiden halfbloed.
Terwijl Zwamdrift de voorspelling deed werd zij afgeluisterd door Severus Sneep, op dat moment een Dooddoener, die de informatie doorspeelde aan zijn meester, Voldemort. Vanaf dat moment had Voldemort het op Harry en zijn vader gemunt. Volgens Voldemort had Lily niet per se hoeven sterven; dit komt omdat Sneep van jongs af aan verliefd was op Lily en hij aan Voldemort vroeg om haar in leven te laten. Sneep, die zich bekeerd had, gaf dit echter door aan Albus Perkamentus, die extra bescherming voor James en Lily regelde. Dat mocht niet baten, aangezien Peter Pippeling, een voormalige familievriend, hun locatie verried aan Heer Voldemort, en vervolgens naar het huis van James en Lily ging. Eerst vermoordde hij James, vervolgens bood hij Lily de mogelijkheid om te blijven leven. Zij koos er echter voor om haar leven op te offeren voor Harry, die daardoor tot op de dag van vandaag de bescherming van de liefde in zich draagt, een kracht die Voldemort niet kent. Vervolgens probeerde Voldemort ook de éénjarige Harry te vermoorden, maar wonderlijk genoeg ketste de vloek af op diens voorhoofd (daarbij een bliksemschichtvormig litteken achterlatend), terug naar Voldemort. Voldemort stierf niet door de vloek (zie voor de verklaring het artikel Gruzielement) maar werd gereduceerd tot “minder dan een geest”. Doordat Harry als éénjarige aan Voldemorts vloek des doods is ontkomen, wordt hij als een grote held binnen de tovenaarsgemeenschap beschouwd (men noemt hem dan ook wel “De Jongen Die Bleef Leven”, The Boy Who Lived). Bij de mislukte vloek heeft Voldemort overigens ongewild een aantal krachten van zichzelf (waaronder het talent om met slangen te praten, Sisselspraak) in Harry overgeplaatst. Volgens de profetie van Zwamdrift heeft Voldemort Harry als zijn gelijke aangemerkt, en zo zijn meest gevaarlijke vijand gecreëerd.
Tot zijn elfde verjaardag (1981-1991)
Albus Perkamentus, het hoofd van de toverschool Zweinstein en tevens hoofd van de Orde van de Feniks, besloot dat Harry bij zijn oom en tante, de Duffelingen, in het dorpje Klein Zanikem kwam te wonen. Petunia Duffeling is de zus van Lily Potter, en de bescherming die Harry had gekregen doordat zijn moeder haar leven voor hem opofferde, stroomde ook door het bloed van haar bloedverwanten, door dat van haar zuster Petunia. Harry ging echter een zware tijd tegemoet bij zijn oom en tante. De Duffelingen zijn namelijk niet-magisch en ook zeer fel tegen de toverkunst gekant. Ze hebben Harry dan ook nooit verteld over het bestaan van toverkunst en hem altijd voorgelogen over de ware identiteit van zijn ouders. Ze hebben altijd een hekel aan Harry gehad en geprobeerd de magie uit hem te stampen, maar dit lukte niet. Een voorbeeld dat illustreert hoezeer de Duffelingen Harry mishandelden, is het feit dat ze hem tot aan zijn elfde verjaardag in een bezemkast onder de trap lieten slapen. Op Harry’s elfde verjaardag kwam er echter een reusachtige man, Rubeus Hagrid, met de boodschap dat Harry een tovenaar is. Verder vertelde Hagrid hem de waarheid over zijn ouders en hij deelde hem mee, dat hij niet naar een reguliere middelbare school zou gaan, maar naar Zweinsteins Hogeschool voor Hekserij en Hocus-Pocus.
Vanaf september 1991
Deze paragraaf heeft vooral betrekking op de ontwikkeling van Harry’s karakter. Voor een uitgebreidere beschrijving van de (avontuurlijke) gebeurtenissen die Harry heeft meegemaakt raadplege men de artikelen over de verschillende boeken.
Een maand nadat Harry samen met Hagrid zijn schoolspullen had gekocht op de Wegisweg, vertrok hij met de Zweinsteinexpres naar zijn nieuwe school. Aan boord maakte hij kennis met Ron Wemel en Hermelien Griffel, die zijn beste vrienden zouden worden. Op Zweinstein zat Harry in zijn eerste jaar op ongeveer hetzelfde niveau als de andere leerlingen. Op Zweinstein blijkt eens te meer hoe beroemd Harry is. Hij wordt regelmatig nagewezen en in het tweede boek herinneren medeleerling Kasper Krauwel en professor Gladianus Smalhart hem constant aan zijn beroemdheid. Harry vindt het echter niet prettig dat hij zo bekend is en zou maar wat graag van zijn litteken (de fysieke herinnering aan de gebeurtenis die hem zijn faam bezorgd heeft) af willen zijn. Vanaf het derde boek begint Harry’s karakter te veranderen. Dat is deels toe te schrijven aan de puberteit, deels ook aan het feit dat Harry steeds meer leert over zijn verleden en dat van zijn ouders en zo geconfronteerd wordt met het slechte in de mens. Op sommige momenten neemt woede dan ook de overhand binnen Harry’s persoonlijkheid. Dat gebeurt bijvoorbeeld als hij geconfronteerd wordt met Sirius Zwarts, de man die hij (overigens onterecht) verantwoordelijk stelt voor het verraad en daarmee de dood van zijn ouders. Een moordlustige emotie maakte zich op dat moment van hem meester. In het vierde boek weigerde hij halsstarrig zijn excuses aan te bieden tijdens een ruzie met zijn beste vriend Ron en in het vijfde boek begon hij bij het minste of het geringste te schreeuwen tegen zijn vrienden als hij het gevoel had dat ze hem niet begrepen. Naarmate Harry echter meer begint te beseffen in wat voor duistere tijden de tovenaarswereld (met de terreurdaden van Heer Voldemort) en hijzelf (als aangewezen persoon om Voldemort uit te schakelen, waarbij soms offers nodig zijn) verkeren, lijkt zijn karakter zich te ontwikkelen tot dat van iemand die goed met zijn lot om kan gaan. Zelfs onder het persoonlijk verlies van een dierbare in 1996 blijft Harry, zeker na enkele weken, behoorlijk kalm. Op de momenten dat Harry, als hij iets ontdekt over daden van bepaalde zwarte magiërs, weer keihard geconfronteerd wordt met de schimmige zijde van de mens, kan dat nog wel tot onbegrip en woede leiden. Misschien ligt daarin echter juist wel zijn grote kracht. Door zijn natuurlijke neiging naar het goede zal hij nooit worden verleid door het vooruitzicht van macht (zoals hij het zelf zegt: “Ik loop nooit over naar de Duistere Zijde! Nooit!”) zodat hij in staat zal zijn om de moeilijke taak, die juist hij zal moeten vervullen (namelijk het uitschakelen van Voldemort) tot een goed einde te brengen.
Negentien jaar later
Harry is getrouwd met Ginny, ze hebben twee zoons en een dochter: James Sirius (vernoemd naar Harry’s vader en zijn peetoom Sirius Zwarts), Albus Severus (vernoemd naar Albus Perkamentus en Severus Sneep) en dochtertje Lily Loena (vernoemd naar Harry’s moeder en Loena Leeflang). Het zoontje van Tops en Lupos, Teddy is Harry’s peetzoon. [2]
Raakvlakken met mythologie
Rowling heeft bevestigd dat enkele personages en namen van personages wortelen in de Griekse en Noorse mythologie. Ook diverse fabeldieren die Rowling opvoert komen in de oude Griekse verhalen voor.
Enkele voorbeelden:
* Pluisje, de driehoofdige hond uit Harry Potter en de Steen der Wijzen, is gebaseerd op Cerberus.
* De centaur Firenze wordt beschimpt door soortgenoten omdat hij een mens op zijn rug draagt. Ook dit komt in de mythen voor.
* De moeder van Voldemort heet Merope. In de Griekse mythen is Merope één van de geliefden van Orion.
* Ook de naam Sirius stamt uit de mythologie, hij is de hond en trouwe metgezel van Orion.
* Amycus, één van de Dooddoeners en leraar op Zweinstein in het zevende boek, is in de Griekse mythologie een arrogant despoot en heerser op het eiland Bebrycus dat in de zee van Marmora ligt.
* De weerwolf Fenrir Vaalhaar is genoemd naar de wolf Fenrir, de zoon van Loki, uit de Noorse mythologie.
* De naam van Remus Lupos gaat ook terug op de mythologie. Remus is de broer van Romulus, de stichter van Rome. Remus en Romulus zijn volgens de mythe opgevoed door een wolf, en Lupos is Latijn voor wolf.
Harry Potter en de Orde van de Feniks Quotes
‘Alsof we geïnteresseerd zijn in hun ranzige privé-leven’, snoof tante Petunia, die de scheiding gefascineerd had gevolgd in elk roddelblad dat ze maar in haar knokige handen kon krijgen. — Tante Petunia (blz. 7)
‘Waarom had je je verstopt onder het raam?’
‘Ja-ja,goed punt,Petunia!’Wat deed je onder ons raam,jongen?’
Ík luisterde naar het nieuws,’zei Harry.
‘Luisterde naar het nieuws?Alweer?’
‘Nou het is elke dag anders,’zei Harry. — Petunia, Herman en Harry (blz. 8)
We weten dat je iets in je schild voert,’zei tante Petunia.
‘We zijn niet helemaal achterlijk,’zei oom Herman.’Nou dat is inderdaad nieuws,’zei Harry,die kwaad begon te worden. — Petunia, Herman en Harry (blz. 9)
‘En wie hebben jullie vanavond afgetuigd?’ zei Harry en zijn grijns stierf weg. ‘Weer een jochie van tien? Ik weet dat jullie twee dagen geleden Mark Evers te grazen hebben genomen…’
‘Hij vroeg erom,’ snauwde Dirk.
‘Oja?’
‘Hij was brutaal tegen me.’
‘Meen je dat? Zei hij soms dat je een varken bent dat geleerd heeft om op zijn achterpoten te lopen? Want dat is niet brutaal, Dirk, dat is gewoon waar.’ — Dirk en Harry (blz. 14)
‘Nooit daar je stok stoppen, jongen!’ brulde Dolleman. ‘Stel dat hij vlam vat? Zo zijn betere tovenaars dan jij een bil kwijtgeraakt!’ — Dwaaloog Dolleman (blz. 41)
Mevrouw Wemel slaakte net zo’n snerpende kreet als Hermelien.
‘Ik kan het niet geloven! O Ron Wat fantastisch! Klassenoudste! Nu zijn al mijn kinderen dat geweest!’
‘Wat zijn Fred En Ik dan? De buren? Zei George verontwaardigd, terwijl zijn moeder hem opzij duwde en haar armen om haar jongste zoon sloeg. — Mevrouw Wemel, Fred Wemel (blz. 131)
‘En in ons eerste jaar,’ zei Marcel tegen de groep, ‘heeft hij die Steen met Wijzers gered -’
‘Steen der Wijzen!’ siste Hermelien.
‘Ja, die – uit de klauwen van jeweetwel,’ vervolgde Marcel — Marcel en Hermelien (blz. 168)
‘Maar- waarom?’ vroeg Harry verbijsterd. Hij wist dat Simons moeder heks was en kon niet begrijpen waarom ze plotseling zo Duffeling-achtig deed. — Harry Potter (blz. 173)
‘Neem een koekje, Potter’
‘Neem een- wat? — Minerva Anderling en Harry Potter (blz. 196)
‘Ik hoorde stemmen,’ zei ze.
‘Ik praatte tegen Muil,’ zei Hagrid resoluut.
‘En die praatte terug?’
‘Nou… zo zou je ‘t kennen zeggen,’ zei Hagrid onbehaaglijk. ‘Ik zeg wel ‘ns dat Muil net een mens is -’ — Hagrid en Omber (blz. 340)
Ik ben het wapen niet, dacht Harry. Zijn hart sprong op van vreugde en opluchting en hij had direct zin om mee te zingen met Sirius, die op weg was naar de kamer van Scheurbek en uit volle borst ‘O Hippogrief, o Hippogrief, ik heb uw mooie veren lief’ galmde. — Sirius (blz. 389)
‘Alsjeblieft, Agnes,’ zei de Heler opgewekt tegen de vrouw met de vacht en ze gaf haar een stapeltje kerstcadeaus. ‘Kijk, je wordt niet vergeten en je zoon heeft een uil gestuurd om te laten weten dat hij vanavond op bezoek komt. Gezellig, he?’
Anges blafte luid. — Heler en Agnes (blz. 396)
‘Met mij gaat het prima, dankje!’ zei Smalhart monter. Hij haalde een nogal verfrommelde pauwenveer uit zijn zak. ‘En, hoeveel handtekeningen willen jullie? Ik kan nu letters aan elkaar schrijven, weet je!’
‘Eh – even niks nodig, maar toch bedankt,’ zei Ron. Hij keek met opgetrokken wenkbrauwen naar Harry, die vroeg: ‘Professor, mag u wel op deze gang zijn? Moet u niet terug naar uw zaal?’
Smalharts glimlach stierf weg. Hij keek Harry aandachtig aan en zei toen: ‘Kennen we elkaar niet?’
‘Eh… ja,’ zei Harry. ‘U gaf les aan Zweinstein, weet u nog?’
‘Les?’ herhaalde Smalhart. Hij leek een beetje uit het veld geslagen.
‘Ik? Werkelijk?’
Zijn glimlach keerde zo plotseling terug dat het bijna angstaanjagend was.
‘Ik heb jullie vast alles geleerd wat ik wist! Nou, hoe zit het met die handtekeningen? Zullen we beginnen met een stuk of tien? Jullie kunnen ze aan jullie vriendjes geven, er is genoeg voor iedereen!’ — Harry, Ron en Smalhart (blz. 396)
‘Goed… meneer,’ zei Harry — Harry Potter (blz. 411)
‘DE MENSEN VAN HET MINISTERIE ZIJN MAFKETELS’ of ZAK IN DE MEST, OMBER’. — Posters van Fred en George (blz. 452)
‘Ik ben je nóg een verklaring schuldig, Harry,’ zei Perkamentus aarzelend. ‘Je hebt je misschien afgevraagd waarom ik jou niet als klassenoudste heb gekozen. Ik moet toegeven… dat ik vond… dat je al genoeg verantwoordelijkheden had.’
Harry keek hem aan; een traan rolde over de wang van Perkamentus en drupte in zijn lange, zilvergrijze baard. — Perkamentus (blz. 649)
‘En lijk ik het type dat zich laat intimideren?’ blafte oom Herman.
‘Nou…’ zei Dolleman. Hij duwde zijn bolhoed naar achteren zodat zijn sinister tollende magische oog zichtbaar werd. Oom Herman sprong vol afgrijzen achteruit en botste pijnlijk tegen een bagagekarretje. ‘Ja, dat type lijk je me nou net, Duffeling.’ — Dolleman en Herman Duffeling (blz. 667)
‘Dat jij nou toevallig de emotionele reikwijdte van een theelepeltje hebt, hoeft dat niet voor iedereen te gelden.’ — Hermelien
‘Vrolijk kerstfeest Harry Potter, meneer!’ — Dobby
Harry Potter en de Halfbloed Prins
‘Zullen we aannemen dat u me gevraagd heeft mee te gaan naar de woonkamer?’ — Perkamentus (blz. 39)
‘Ja,’ klonk de vermoeide stem van meneer Wemel. ‘Maar dat zou ik ook zeggen als ik een Dooddoener was, schat. Stel je vraag!’
‘Moet dat nou?’
‘Molly!’
‘Goed, goed… wat is je liefste wens?’
‘Erachter komen hoe vliegtuigen in de lucht blijven.’ — Molly en Arthur Wemel (blz. 68)
´Oh,´ zei Ron teleurgesteld. ´We dachten -´ Hermelien wierp Ron een waarschuwende blik toe en Ron veranderde vliegensvlug zijn zin. ´- we dachten al zoiets.´ — Ron en Hermelien (blz. 71)
‘Zei ik niet dat we nonverbale spreuken zouden oefenen,Potter?’
‘Ja,’zei Harry stijfjes.
‘Ja meneer.’
‘U hoeft me geen meneer te noemen, professor.’ — Harry en Sneep (blz. 137-138)
‘U zei aan het eind van vorig schooljaar dat u me alles zou vertellen,’ zei Harry. Het kostte hem moeite zijn stem niet beschuldigend te laten klinken. ‘Professor,’ voegde hij eraan toe.
‘Klopt,’ zei Perkamentus kalm. ‘En ik héb je ook alles verteld wat ik weet. Van nu af aan laten we dat fundament van feiten achter ons en reizen we samen via de wazige wegen van het geheugen naar het ongebaande oerwoud van het naarstige nattevingerwerk.’ — Harry en Perkamentus (blz. 150)
‘Wil iedereen die niet bij Griffoendor hoort onmiddellijk opkrassen,’brulde Harry. — Harry (blz. 170)
‘Sinds wanneer noem jij me ‘meneer’?
En sinds wanneer noem jij me ‘Potter’ ? — Harry en Hagrid (blz. 173)
‘Een Onbreekbare Eed?’ zei Ron stomverbaasd. ‘Nee, dat geloof ik niet… weet je het zeker?’
‘Heel zeker,’ zei Harry. ‘Wat houdt dat in?’
‘Nou, een Onbreekbare Eed kun je niet verbreken…’
‘Vreemd genoeg had ik dat zelf ook al bedacht.” — Ron en Harry (blz. 246)
‘Maar jij bént normaal!’ zei Harry fel. ‘Je hebt alleen een – een probleempje -’
Lupos barstte in lachen uit. — Harry Potter en Remus Lupos (blz. 253)
‘Ik wil hier geen nacht blijven,’ zei Harry boos. Hij ging overeind zitten en gooide de dekens van zich af. ‘Ik wil Stoker te pakken krijgen en hem vermoorden!’
‘Dat zouden we ook ‘overmatige inspanning’ kunnen noemen,’ zei madame Plijster. — Madame Plijster en Harry (blz. 313)
‘Eh – nou – geesten zijn doorzichtig -’ zei hij.
‘Een meesterlijke uiteenzetting!’ viel Sneep hem schamper in de rede. ‘Je ziet wel dat bijna zes jaar magisch onderwijs niet voor niets geweest is, Potter. Geesten zijn doorzichtig.’ — Harry en Sneep (blz. 347)
‘En Odo de held, die droeg men naar huis.
Daar werd hij ter aarde besteld,
Als tragische slotnoot stond op zijn steen,
Zijn naam achterstevoren gespeld.’ — Slakhoorn (blz. 368)
‘Ik ben bang dat de knol – pardon, onze centaur – niets van cartomantie weet.’ — Zwamdrift (blz. 409)
‘Ik ben zwak…’zei hij.
‘Wees niet bang,’ zei Harry, al was hij dat zelf wel omdat Perkamentus er zo uitgeput en bleek uitzag. ‘Wees niet bang, ik zorg dat we thuiskomen… steunt u maar op mij…’
Harry legde de niet-gewonde arm van Perkamentus om zijn schouder, loodste het schoolhoofd mee rond het meer en droeg het grootste deel van zijn gewicht. — Perkamentus en Harry (blz. 435)
Harry Potter en de Relieken van de Dood
‘Of ik kan -? Natuurlijk kan ik autorijden, verdorie!’ –Oom Herman (blz. 31)
‘Als jullie denken dat ik zes mensen hun leven voor mij op het spel laat zetten-!’
‘- want dat zou voor ons allemaal de eerste keer zijn,’ zei Ron.
‘Dit is anders, doen alsof jullie mij zijn -’
‘Je moet niet denken dat we staan te trappelen, Harry,’ zei Fred in alle ernst. ‘Stel dat er iets misgaat? Dan zijn we misschien de rest van ons leven magere, brildragende sukkels.’ — Harry Potter, Fred en Ron Wemel (blz. 40)
‘Hagrid!’ schreeuwde Harry terwijl hij zich in doodsnood aan de motorfiets vastklampte. ‘Hagrid – accio Hagrid!’ — Harry Potter (blz. 49)
‘Bijna klaar,’ herhaalde George. Hij deed zijn ogen open en keek zijn broer aan. ‘Ik ben op één oor na gevild. Op één oor na, Fred. Snap je hem?’
Mevrouw Wemel snikte harder dan ooit, maar Freds bleke gezicht kreeg weer kleur.
‘Zielig gewoon,’ zei hij tegen George. ‘Om te huilen! Heel de wijde wereld van de oorhumor ligt voor je open en dan ben jij tevreden met op één oor na gevild? — Fred en George Wemel (blz. 59)
‘Als ik ooit trouw, hoeft dit soort onzin niet voor mij,’ zei Fred en hij trok aan de kraag van zijn eigen galagewaad. ‘Jullie mogen gewoon dragen wat lekker zit en ik spreek de Vloek van de Totale Verstijving uit over ma tot alles weer voorbij is.’ — Fred Wemel (blz. 104)
‘…en je haar is veel te lang, Ronald. Even dacht ik dat je Ginevra was. Merlijns baard, wat heeft Xenofilus Leeflang nou weer aan? Hij lijkt wel een omelet.’ — Tante Marga (blz. 107)
‘Nóg een Wemel? Jullie planten je ook werkelijk voort als tuinkabours! Is Harry Potter er niet? Ik hoopte juist dat ik hem nou eens zou ontmoeten. Ik dacht dat hij een vriend van je was, Ronals, of zat je gewoon weer op te scheppen? — Tante Marga (blz. 107)
‘Rita Pulpers? O, die vind ik geweldig! Ik lees haar stukjes altijd.’ — Tante Marga (blz. 115)
‘Hou daar nou eindelijk eens mee op!’ riep ze op de derde avond nadat Knijster was vertrokken, toen voor de zoveelste keer het licht uit de kamer werd weggezogen. ‘Sorry, sorry,’ zei Ron. Hij klikte met de Uitsteker liet het licht weer terugkeren. ‘Ik weet zelf ook niet waarom ik het doe.’ ‘Kun je niks nuttiger verzinnen?’ ‘Zoals? Sprookjes lezen?’ — Ron en Hermelien (blz. 151)
‘Nog eentje, Meester, als toetje?’ — Knijster (blz. 164)
‘Ze bleef vlak voor hem staan, met haar mond een beetje open: Ron glimlachte flauwtjes, maar hoopvol en stak zijn armen half uit. Hermelien sprong op hem af en begon ieder plekje van zijn lichaam dat ze maar raken kon met haar vuisten te bewerken.’ — Ron Wemel en Hermelien Griffel (blz. 275-276)
‘Gebruik je hersens eens een keertje, Ron!’ — Hermelien (blz. 276)
‘Misschien is Jeweetwel in het buitenland en misschien ook niet. Feit blijft dat hij zich sneller kan verplaatsen dan Severus Sneep op de vlucht voor en fles shampoo, dus reken er alsjeblieft niet op dat hij lekker ver weg is als je van plan bent risico’s te nemen.’ — Fred Wemel (blz. 320)
”De zilveren hinde!’ zij hij opgewonden. ‘Was die ook van u?’ ‘Waar heb jij het over?’ vroeg Desiderius. ‘Iemand stuurde ons een patronus in de vorm van een hinde!’ ‘Met jouw hersens zou je best een Dooddoener kunnen zijn, jongen. Ik heb toch net laten zien dat mijn Patronus een geit is?” — Ron Wemel en Desiderius Perkamentus (blz. 400)
‘Tja, eten is een van de vijf uitzonderingen op Grondels Wet van de Elementaire Transfiguratie,’ zei Ron en iedereen keek hem stomverbaasd aan. — Ron Wemel (blz. 413)
Velen snakten naar adem of slaakten kreten van verbazing tien ze Alecto zagen liggen. Langzaam schuifelden ze naar haar toe, alsof ze een verscheurend dier was dat elk moment wakker kon worden en hun kon aanvliegen. Een dappere eerstejaars duwde met zijn grote teen tegen haar achterwerk.
‘Volgens mij is ze dood!’ zei hij opgetogen.
‘Kijk,’ fluisterde Loena terwijl de andere Ravenklauwen om Alecto heen gingen staan. ‘Ze zijn blij!’ — Loena + eerstejaars van Ravenklauw (blz. 420)
‘We zullen de school verdedigen tegen Hij Die Niet Genoemd Mag Worden terwijl jij opzoek gaat naar dat- voorwerp.’
‘Is dat mogelijk?’
‘Dat denk ik wel,’ zei professor Anderling droogjes. ‘Wij leraren kunnen behoorlijk goed toveren weet je.’ — Minerva Anderling (424)
”Ons schoolhoofd neemt een korte vakantie.’ zei professor Anderling en ze wees op het Sneepvormige gat in het raam. — Minerva Anderling (427)
”NIET MIJN DOCHTER, KRENG!’ — Molly Wemel (blz. 524)
We hebben ze in de pan gehakt en potter is van goud!
Stop vollie onder de zoden en zet het boterbier koud! — Foppe (blz. 532)
‘Onze Teddy! Teddy Lupos! En hij zoende onze Victoire! Onze nicht! Nou, ik vroeg wat hij aan het doen was-’
‘Heb je ze gestoord?’ vroeg Ginny. ‘Je bent ook net Ron-” — James Potter (blz. 539)
Auteur: erwin | Datum: 16 januari 2012